Aandachtspunten bij het opstellen van sloopopvolgingsplannen (deel 1)

Op basis van meer dan 5300 conform verklaarde sloopopvolgingsplannen en vragen die Tracimat hieromtrent kreeg, vragen wij de nodige aandacht te besteden aan onderstaand punt bij de opmaak van een sloopopvolgingsplan.

Omschrijving en reikwijdte van een sloopopvolgingsplan

Een duidelijke en volledige omschrijving van de scope van de werken is van groot belang voor zowel de opdrachtgever, deskundige, aannemer en Tracimat VZW met het oog op het vlot en correct doorlopen van de volledige traceerbaarheidsprocedure voor een sloop- en/of renovatieproject.

Voor de beschrijving van de reikwijdte van een project verwijzen we in eerste instantie graag naar de templates op onze website onder Vakinformatie – Sloopopvolgingsplan, meer specifiek naar rubriek 2.1 – “Beschrijving van het project”.

Aanvullend vestigen we graag de aandacht op onderstaande punten:

1. Algemene opmerkingen:

  • Volgens de Standaardprocedure (OVAM) omvat een sloopopvolgingsplan Uitgebreide procedure gebouwen en Infrastructuurwerken o.a. een inventarisatie van alle vaste onderdelen/materialen die bij ontmantelings- en sloopwerken zullen vrijkomen, onafhankelijk van hoe of door wie ze worden verwijderd. De inventarisatie omvat bijvoorbeeld ook materialen die op de werf hergebruikt zullen worden.
  • Er is geen verplichting tot inventarisatie van losstaande materialen (bijv. achtergelaten meubelen, archieven, verkeersborden,…) die tijdens de ontruimingsfase worden verwijderd. Indien deze materialen wel opgenomen worden in het pdf rapport van het SOP, dienen deze te worden opgenomen in een afzonderlijke lijst van materialen die vóór de ontmantelingsfase verwijderd moeten worden. Deze materialen maken geen onderdeel uit van de digitale materialenlijst van het SOP.

2. Opmerkingen specifiek voor SOP’s infrastructuurwerken:

Het gebeurt regelmatig dat de omschrijving van het project in sloopopvolgingsplannen Infrastructuurwerken onvolledig is gedefinieerd en dat zogenaamde ‘kleinere structurele eenheden’ vergeten worden tijdens de inventarisatie. Bijvoorbeeld:

    • Greppels, goten, boordstenen, kantstroken,…
    • Voetpaden
    • Opritten van woningen
    • Kruispunten
    • Parkeerstroken

Het aandeel van deze ‘kleinere structurele eenheden’ op het totale tonnage van een project is echter niet te verwaarlozen. Dergelijke toepassingen dienen dan ook opgenomen te worden in het SOP.

Naast bovenstaande oppervlakkige structurele eenheden is het belangrijk dat onderliggende funderingslagen, indien deze zullen worden verwijderd, eveneens geïnventariseerd worden. Ook indien het funderingsmateriaal van deze kleinere structurele eenheden niet gekend is, dient de deskundige het funderingsmateriaal in de inventaris en in het digitaal portaal op te nemen onder de nieuwe categorie ‘Fundering – niet gekend’ met in het opmerkingenveld eventueel een inschatting van het vermoedelijk type funderingsmateriaal.

3. Opmerkingen specifiek voor SOP’s gebouwen:

  • Zoals aangegeven in de template (rubriek § 2.1) dient de deskundige per gebouw het aantal bouwlagen en het bouwvolume aan te geven. Het bouwvolume wordt berekend vanaf het maaiveld t.e.m. het dak van het gebouw. Tijdens de inventarisatie en ingave in het digitaal portaal is het niet verplicht, echter wel aanbevolen, om een onderscheid te maken tussen onderbouw en bovenbouw. We stellen regelmatig vast dat de hoeveelheid voor de onderbouw niet mee opgenomen worden in het sloopopvolgingsplan. Het is echter wel verplicht om een inschatting te maken van de hoeveelheid (m³, ton,…) van de onderbouw van een gebouw en deze hoeveelheden mee op te nemen in het SOP.
  • Indien buitenverhardingen horende bij een gebouw ook deel uitmaken van het sloopproject, dan dienen deze eveneens geïnventariseerd te worden (zie Standaardprocedure OVAM). Ook hier dient een inschatting gemaakt te worden van de hoeveelheden van de onderliggende funderingslagen. In het geval dat het materiaal van de funderingslagen niet gekend is, dient de deskundige het materiaal in de inventaris en digitaal portaal op te nemen onder de nieuwe categorie ‘Fundering – niet gekend’ met in het opmerkingenveld een inschatting van het vermoedelijk type funderingsmateriaal.

Om onzekerheden bij de inschatting van het type en hoeveelheid funderingsmateriaal te vermijden, wordt aanbevolen om bij de aanwezigheid van aaneensluitende oppervlaktes buitenverharding (> 500 m²) het funderingsmateriaal d.m.v. minimaal 1 boring te onderzoeken.

  • Tijdens de inventarisatie is het belangrijk om materialen te inventariseren zoals ze in het gebouw voorkomen. Bijv. een (intacte) bakstenen muur dient geïnventariseerd te worden als ‘Baksteen en dakpannen’ en niet als ‘Mengpuin’ of ‘Baksteen: metselwerkgranulaat’.