Bekijk de vacature en solliciteer!
Het beleid rond afval en milieu is in België een gewestelijke bevoegdheid, wat betekent dat deze wetgeving in Vlaanderen, Brussel en Wallonië van elkaar verschilt.
Tracimat is als sloopbeheerorganisatie erkend door de bevoegde Vlaamse minister en is zo enkel binnen het kader van de Vlaamse wetgeving operationeel.
Als lidstaat van de Europese Unie moet België Europese Verordeningen respecteren en Europese Richtlijnen implementeren in de eigen wetgeving. In 2008 werd op Europees niveau de Kaderrichtlijn Afvalstoffen (2008/98/EG) gelanceerd, die enkele belangrijke principes voor de gehele Europese Unie definieert.
Onder andere om deze Europese Richtlijn te implementeren in Vlaanderen werd in 2011 door het Vlaams Parlement het Materialendecreet aangenomen. Deze wettekst heeft tot doel de circulaire economie te bevorderen door afvalproductie en verspilling van materialen en energie te voorkomen, en ervoor te zorgen dat negatieve gevolgen voor mens en milieu worden tegengegaan.
Een decreet is het hoogst in hiërarchie in de Vlaamse wetgeving en is voornamelijk bedoeld om een algemeen kader te creëren, enkele basisregels vast te leggen en rechten/plichten te definiëren. Hierdoor staan er weinig concrete uitwerkingen in het Materialendecreet, maar deze wetgeving is wel essentieel voor de rechtsbasis.
De meer gedetailleerde uitwerking van het algemeen geschetste kader uit het Materialendecreet wordt door de Vlaamse Regering gedefinieerd in een uitvoeringsbesluit, in dit geval het VLAREMA, voluit het Vlaams Reglement voor het duurzaam beheer van Materiaalkringlopen en Afvalstoffen. Het VLAREMA werd in 2012 voor het eerst aangenomen.
In dit uitvoeringsbesluit wordt de regelgeving rond afvalbeheer concreet uitgewerkt, waarin voornamelijk Afdeling 4.3 (afzonderlijke inzameling van afvalstoffen) van groot belang is bij sloop- en afbraakwerken. De inhoud van het VLAREMA wordt in onderstaand luikje verder toegelicht.
Het laagste niveau van de Vlaamse wetgeving is een ministerieel besluit (MB). Hierbij bepaalt de bevoegde Vlaamse minister de inhoud, die is beperkt tot specifieke praktische en technische zaken.
In het kader van de werking van Tracimat als sloopbeheerorganisatie zijn er twee belangrijke ministeriële besluiten: één bepaalt de voorwaarden voor de opmaak van een sloopopvolgingsplan en de rapportering bij de verdere sloopopvolging, één bepaalt de chronologie en inhoud van de verschillende te doorlopen stappen van het traceerbaarheidssysteem.
Deze ministriële besluiten, standaardprocedures genoemd, worden hier meer in detail beschreven.
Ook voor de verwerking van steenpuin tot gerecycleerde granulaten werd een ministerieel besluit opgemaakt, genaamd eenheidsreglement gerecycleerde granulaten. Het is in deze wettekst dat o.a. het verschil tussen puin met een hoog milieurisicoprofiel (HMRP) en een laag milieurisicoprofiel (LMRP) wordt beschreven.
Een algemeen Europees principe is het End-of-Waste statuut, waarbij afval na behandeling terug als een grondstof kan dienen. In onderafdeling 2.3.2 van het VLAREMA zijn de criteria voor grondstoffen, bestemd voor het gebruik als bouwstof, vastgelegd. Hieruit is specifiek voor gerecycleerde granulaten de opmaak van het eenheidsreglement gerecycleerde granulaten voortgevloeid.
In Afdeling 2.4 van het VLAREMA wordt het kader voor de grondstofverklaring geschetst. Een grondstofverklaring kan voor een specifieke afvalstroom, zoals bv. spoorwegballast, aangevraagd worden.
Verschillende fracties bouw- en sloopafval moeten gescheiden ingezameld worden, dit is bepaald in artikel 4.3.2 van het VLAREMA. In bijgevoegde afbeelding (bron: OVAM) is illustratief weergegeven voor welke fracties deze verplichting geldt. Enkel als aan één van onderstaande voorwaarden wordt voldaan en er bij het beheer van het afval rekening wordt gehouden met bijkomende voorwaarden (zie Artikel 4.3.2.§5 van het VLAREMA), kan de verplichting tot gescheiden inzameling vervallen:
Vanaf een bepaalde omvang van de geplande werken gelden conform artikel 4.3.3 van het VLAREMA enkele verplichtingen.
Het toepassingsgebied van dat artikel zijn sloop-, renovatie-, onderhouds- of ontmantelingswerken waarvoor een omgevingsvergunning vereist is:
1. Het onderscheid tussen residentiële en niet-residentiële gebouwen zal in een volgende versie van het VLAREMA naar alle waarschijnlijkheid geschrapt worden, waardoor deze verplichting geldt voor alle gebouwen met ene bouwvolume groter dan 1.000 m³.
2. Het bouwvolume wordt bepaald door de som van boven- en ondergronds bouwvolume.
3. In hoofdzaak residentieel wordt geïnterpreteerd als meer dan 2/3de van het bouwvolume dat residentieel van aard is.
Voor alle projecten die onder het toepassingsgebied van artikel 4.3.3 vallen, gelden volgende verplichtingen:
Een belangrijke bepaling hierbij is dat dat het door de sloopbeheerorganisatie conform verklaarde sloopopvolgingsplan deel uit moet maken van de aanbestedingsdocumenten, prijsvraag en contractuele documenten.
Voor de werken die onder het toepassingsgebied van artikel 4.3.3 van het VLAREMA vallen én voor gelijkaardige nieuwbouwprojecten, geldt zoals bepaald in artikel 4.3.3/1 van het VLAREMA de verplichting voor het opmaken van een afvalbeheer- en sloopplan. De planning en organisatie van de gescheiden inzameling van het bouw- en sloopafval moet hierin beschreven worden door de opdrachtnemer van de werken.
Voornamelijk voor inzamelaars, handelaars, makelaars en verwerkers van gemengd bouw- en sloopafval is in het VLAREMA onderafdeling 5.2.16 opgenomen. Hierin zijn bepalingen opgenomen over de informatie- en weigeringsplicht en non-conformiteiten. Het is belangrijk om hier als producent van de afvalstoffen rekening mee te houden, zodat het ingezameld gemengd bouw- en sloopafval in overeenstemming met deze onderafdeling verwerkt kan worden.
In Hoofdstuk 6 van het VLAREMA zijn nadere regels opgenomen over het inzamelen en het vervoer van afvalstoffen. Hierin is onder andere bepaald dat er een digitaal identificatieformulier vereist is bij het transport, op enkele uitzonderingen na (zie artikel 6.1.1.2 van het VLAREMA).
Voor gevaarlijke afvalstoffen geldt de ADR-regelgeving, al is hier voor transport van asbest een afwijking op via het sectorprotocol veilig transport asbestafval.
Afvalstoffen worden gekenmerkt door een EURAL-code die bestaat uit zes cijfers en wanneer het een gevaarlijke afvalstof betreft op het einde een asterisk. Bouw- en sloopafval begint steeds met '17'. In Bijlage 2.1 van het VLAREMA kan je de lijst met afvalstoffen raadplegen. Het toepassen van de correcte EURAL-code is belangrijk bij transportdocumenten, acceptatieregisters en opmaak van het sloopopvolgingsplan. Via de website van OVAM kan je een wizard terugvinden die je helpt bij twijfel en een handleiding met extra achtergrondinformatie raadplegen.
In Vlaanderen is het uitvoeringsbesluit met de meest concrete bepalingen rond afvalbeheer het VLAREMA. Het overheidsagentschap dat het beleid hieromtrent voorbereidt, uitvoert en handhaaft is de OVAM, voluit Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.
In Brussel en Wallonië zijn andere overheidsinstanties, respectievelijk Leefmilieu Brussel en Service Public de Wallonie Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, bevoegd om het afvalbeleid uit te werken. Elk gewest heeft hiervoor eigen wetteksten.
Een traceerbaarheidssysteem zoals in Vlaanderen is momenteel onbestaande in de andere gewesten. Dit betekent dat sloopwerken die in andere gewesten uitgevoerd worden vrijwillig in kunnen stappen in het traceerbaarheidssysteem van Vlaanderen.
Asbest vormt een risico voor de volksgezondheid, wat een federale aangelegenheid is. Hierdoor is een deel van de wetgeving over het beheer van asbest opgenomen in federale wetgeving (dus over heel België gelijk). Het beheer van afval en de bescherming van milieu en omgeving blijft ook voor asbest een gewestelijke bevoegdheid.
Je zou kunnen stellen dat er drie types asbestinventarissen zijn, die verschillen van vereiste inhoud omdat ze een andere focus of doel hebben.
Het asbestinventarisattest (AIA), in de volksmond 'asbestattest', kadert in het Vlaamse asbestafbouwbeleid dat streeft naar een asbestveilig Vlaanderen tegen 2040 en is een verplicht document bij de verkoop of overdracht van gebouwen die voor 2001 werden gebouwd.
De focus van deze asbestinventaris is het opsporen van asbesthoudende materialen en het inschatten van de risico's ervan in gebouwen bij verkoop/overdacht. Omdat het AIA wordt opgemaakt zonder dat er ingrijpende werkzaamheden aan het gebouw gepland zijn, is de mate van destructiviteit bij de opmaak ervan beperkt. Dit geeft dus een eerste indicatie maar onvoldoende garantie in kader van sloopwerkzaamheden.
Het Inspectieprotocol asbestinventarisatie legt o.a. de minimale onderzoeksinspanningen i.k.v. de opmaak van een AIA vast. Op de vakinformatiepagina van OVAM kan je extra achtergrondinformatie raadplegen. Deze wetgeving staat volledig los van deze voor de opmaak van een sloopopvolgingsplan.
De (visuele) asbestinventaris in kader van de Codex Welzijn op het Werk valt onder de federale wetgeving en is verplicht voor gebouwen waarin een werkgever één of meerdere werknemers tewerkstelt.
De focus van deze asbestinventaris is het beschermen van werknemers bij enerzijds het gewoon gebruik van een gebouw en anderzijds bij het uitvoeren van werkzaamheden binnen/aan een gebouw of onderdelen ervan. Aangezien deze inventarisatie geen extra risico's op de werkvloer mag veroorzaken is het, wanneer geen werken gepland zijn, niet altijd mogelijk om elke asbestverdachte toepassing te bemonsteren (ongewenste beschadiging). Wanneer wel werken gepland zijn ligt de nadruk wel op het bemonsteren van alle asbestverdachte toepassingen.
Afhankelijk van de mate van destructiviteit biedt dit type asbestinventaris hierdoor in meer of mindere mate garantie in kader van sloopwerkzaamheden.
De relevante wetgeving hierover kun je raadplegen in Boek VI, Titel 3 van de Codex Welzijn op het Werk. De Federale Overheidsdienst voor Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (FOD WASO) ziet toe op de naleving van deze wetgeving.
De destructieve asbestinventaris (DAI) in functie van geplande sloopwerken vormt een belangrijke bijlage van het sloopopvolgingsplan.
Deze DAI past eveneens in het kader van de Codex Welzijn op het Werk, maar moet steeds voldoen aan een zekere destructiviteit en een minimale monsternamestrategie op asbestverdachte toepassingen. Dit zorgt ervoor dat de uitvoerder van de sloopwerken voldoende geïnformeerd is over de risico's van de aanwezigheid van asbest.
In de Standaardprocedure voor opmaak van een sloopopvolgingsplan zijn de minimale onderzoeksinspanningen beschreven. Elk sloopopvolgingsplan en dus ook elke destructieve asbestinventaris wordt door de sloopbeheerorganisatie beoordeeld, waardoor een conformverklaring garantie biedt over de kwaliteit van de DAI.
De meeste regels met betrekking tot de verwijdering van asbest zijn federaal bepaald. Hieronder schetsen we kort enkele belangrijke principes; de federale wetgeving kan je terugvinden in Boek VI, Titel 3 en Titel 4 van de Codex Welzijn op het Werk.
Op de website van FOD WASO kun je de relevante regelgeving, modeldocumenten, een lijst van erkenningen of registraties en thematische toelichtingen raadplegen.
Als uitvoerder van asbestverwijderingswerken op een werf waar werknemers blootgesteld kunnen worden aan asbest, moet je vóór aanvang van de werkzaamheden een melding bij FOD WASO uitvoeren. Deze melding stuur je 15 kalenderdagen voor aanvang van de werkzaamheden per mail door naar de directie Toezicht op het Welzijn op het Werk (TWW) van de provincie waar de werkzaamheden plaats zullen vinden. Deze bepaling geldt voor ondernemingen, dus ook voor zelfstandigen.
Ook als sloopdeskundige die toepassingen bemonstert in kader van asbestinventarisatie is het heden verplicht om hiervoor een melding uit te voeren. Deze is niet per specifieke werf vereist, maar volstaat om eenmaal per jaar door te geven.
Als een hermetische zone technisch niet mogelijk blijkt, moet voor de afwijkende werkmethode eerst goedkeuring verkregen worden van de Algemene Directie van TWW. Idem voor het toepassen van nieuwe technieken en technologieën (de stand van de techniek). Pas na het ontvangen van de goedkeuring van de Algemene Directie mag de melding van asbestverwijdering uitgevoerd worden bij de regionale afdeling van TWW.
Het toepassen van de technieken couveusezakmethode en hermetische zone kan enkel door ondernemingen die hiervoor erkend zijn door FOD WASO. Het toepassen van de techniek eenvoudige handelingen kan enkel door ondernemingen die hiervoor geregistreerd staan bij FOD WASO. In Vlaanderen is het toegestaan om onder bepaalde voorwaarden als particulier zelf de asbestverwijdering onder eenvoudige handelingen uit te voeren, zie Hoofdstuk 6.4 van VLAREM II.
Om beroepsmatig asbestverwijdering uit te mogen voeren moeten een basisopleiding en jaarlijks een bijscholing gevolgd worden door de werknemer. Deze opleidingen moeten toegespitst zijn op de kenmerken van het beroep van de werknemer en moeten door een opleidingscentrum uit de lijst van FOD WASO georganiseerd worden.
Op de werf hou je best rekening met de richtlijn die door OVAM werd gepubliceerd voor de inzameling en acceptatie van asbestafval. Zo vermijd je vervelende discussies met de stortplaats.
In Vlaanderen zijn in Afdeling 6 van het Materialendecreet enkele algemene principes opgenomen, zoals: